RSS
Facebook
Twitter

Kalle Quist en het museumavontuur

Een verhaal over in jezelf geloven wat er ook gebeurt.

 

Er was eens een jongen, genaamd Kalle Quist. Kalle was elf jaar oud, zat in groep zeven en had een grote bos brandweerrood haar en ontelbaar veel sproetjes. De andere kinderen uit zijn klas vonden het verschrikkelijk grappig om hem daarmee te plagen.
‘Hé, tomaat!’
‘Wanneer spring je op groen?’ Ook zijn naam vonden ze hilarisch. Malle Kalle Toverballe. Nou ja, je snapt het wel.
‘Kijken jullie maar uit,’ mompelde hij dan mysterieus. ‘Ik kan toveren.’
‘Echt hoor! Kijk maar uit!’
De andere kinderen begonnen dan nóg harder te lachen en Kalle kreeg een kleur die uitstekend paste bij zijn haren. Bietenrood.

Iedere dag was het raak met het gepest en Kalle haalde er meestal zijn schouders over op. Maar soms was het gewoon te veel. Dan voelde hij zich raar en anders. Alsof hij nergens bij hoorde. Snikkend kwam hij dan thuis waar zijn moeder hem troostte. Zijn moeder had óók rood haar, net als zijn vader, zijn twee broertjes en babyzusje.
‘Wees er maar trots op, lieve Kalle,’ zei zijn moeder dan terwijl ze hem door zijn haar
aaide. ‘Rood haar komt bijna nooit voor. Je bent een bijzondere jongen. Blijf gewoon jezelf, dan komt alles goed.’
Ja, ja, dacht Kalle dan de volgende ochtend als hij weer naar school moest. Mezelf blijven. Soms had hij het gevoel dat zijn rode haar, sproeten en aparte naam belangrijker waren dan wie hij echt was. Van binnen. Dat de andere kinderen niet verder konden kijken dan de buitenkant. Dat ze niet zagen dat hij aardig was, goed kon tekenen, een lieve hond had, van rapmuziek hield en gek op zijn babyzusje was. Alsof dat er allemaal niet toe deed. De weg naar school was altijd heel lang als hij zich zo voelde. Hij wenste dat hij écht kon toveren.
Tijdens de lessen fantaseerde hij over een andere wereld. Een wereld waar iedereen rood haar had en hij rondvloog op een grote draak met een wapperende paarse cape. Dat was Kalle. Kalle de grote tovenaar. Was er iets gebeurd? Was er paniek? Dan riep iedereen om Kalle.
‘Kalle, Kalle, waar ben je?’
Maar dan was het niet iemand in nood die hem op zijn schouder tikte, maar de juf die wilde dat hij het antwoord gaf op een ingewikkelde som. Dan wist hij echt niet waar hij was, laat staan dat hij het antwoord wist. En dan begon iedereen alweer te lachen.

Op een mooie zomerdag gingen ze met de hele klas naar het museum in de stad. Er was een tentoonstelling van Hollandse meesters: héél oude en héél dure schilderijen. Van mannen met namen als Rembrandt van Rijn en Frans Hals. Kalle dwaalde langs de ontelbare schilderijen met mensen erop die serieus keken en aan tafel aardappels aten. Vechtende mannen op schuimbekkende paarden en luierende vrouwen met maar weinig kleren aan.
Toen kwam Kalle in de allerlaatste zaal waar verder niemand was. Er hing alleen een groot schilderij met een schip op een wilde zee. Allemaal kleine mannetjes werkten hard op het dek, sommigen hingen aan het schip en er spartelden er zelfs een paar in het water. Kalle liep langzaam naar het schilderij toe. Het was net of er een magneet in zat en hij van ijzer was. Dichterbij kwam hij en nóg dichterbij. Hij was nu nog maar een paar passen verwijderd van het schilderij dat zo groot was dat het bijna de hele muur bedekte. Het leek alsof hij het water kon aanraken en hij werd een beetje duizelig van alles wat hij zag. Hij deed een paar stappen opzij en vond het bordje dat onder het schilderij op de muur hing. Kalle ging door zijn knieën zodat hij kon lezen wat erop stond.

Kat in het kraaiennest
Geschilderd door: Johannes Vermeer, 1662

‘Zo oud al…’ fluisterde hij. Hij ging weer staan en keek vol bewondering naar het schilderij. Van zo dichtbij zag je de olieverf op het doek goed. De kleuren waren prachtig en het schip was nét echt. Het was van hout en minstens zo groot als de hele school. Het hing een beetje scheef in het water door de harde wind die de witte zeilen deed opbollen. Kalle ging nog wat dichterbij staan en strekte zijn arm. Hij wilde het schip aanraken en het leek net of dat kon. Het hout leek zo echt, het water zo nat en hij kon de wind bijna voelen in zijn oren… En nog een stapje dichterbij deed Kalle toen hij ineens iets voelde.
‘Hé!’ riep hij uit. ‘Wat krijgen we nou!’ Hij ging met zijn hand naar zijn gezicht en dat
was… Helemaal nat! Geschrokken keek Kalle om zich heen. Wie had hem natgespoten? Waar zaten die pestkoppen? Maar hij zag helemaal niemand. Hoe hadden ze dat gedaan? Waar was het water nou vandaan gekomen?
‘Hé rooie,’ hoorde hij ineens. Opnieuw schrok Kalle zich rot. Er was toch niemand? Kalle kreeg zomaar kippenvel. Wegwezen, dacht hij en net toen hij zich wilde omdraaien kreeg hij weer water in zijn gezicht. Een hele plens dit keer! En het prikte in zijn ogen. Hij veegde met zijn handen over zijn gezicht en kreeg ook water in zijn mond. Bah! Het smaakte zout!
‘Lekker hè, dat zeewater’ hoorde hij iemand lachend zeggen. Kalle keek weer om zich heen. Er was nog steeds niemand.
‘Hier ben ik,’ hoorde hij de stem weer. ‘Recht voor je sproetenneus!’ Kalle keek recht vooruit en ineens zag hij het.

Kalles mond viel open en hij werd een beetje duizelig. De stem kwam niet van achteren, of van opzij of van boven. Nee, de stem kwam uit het schilderij! Hij wist niet wat hij moest doen. Moest hij blijven staan of juist om hulp roepen?
‘Niet bang zijn, Kalle!’ klonk het stemmetje weer. ‘Je ziet zo wit als een spook, nergens voor nodig, ik ben je maatje.’
‘Mijn maatje?’ stamelde Kalle.
‘Ja! En die kun je wel gebruiken toch? Ik ben Kat!’
‘Kat?’
‘Ja, Kat van het Kraaiennest! Kijk maar eens goed, dan zie je me wel.’
Kalle kneep zijn ogen samen en staarde naar het schilderij, dat échter en échter leek… Het water kolkte, de golven schuimden en Kalle hoorde meeuwen krijsen. Op het dek waren mensen druk in de weer met zwabbers, touwen en zeilen.
‘Hier! Kijk dan! Hier boven!’
En toen zag Kalle het. Helemaal bovenin de mast zat een jongetje in het kraaiennest. Veel meer dan een plankje met wat touw eromheen om je aan vast te houden was het niet, maar je had er wel het allerbeste uitzicht. Het schip bewoog en kwam dichterbij varen naar de rand van het schilderij. Kalle’s mond viel open.
‘Hoe, hoe..’
‘Hoe dit kan?’ zei de jongen in het kraaiennest. ‘Wat maakt dat uit Kalle? Het is gewoon zo!’
‘Ja, maar…’
‘Niks, ja maar, daar heb je niets aan in het leven, maatje.’ Kalle keek toe hoe het schilderij-jongetje met een paar handige zwaaien langs de mast naar beneden zeilde en met een plof op het dek terecht kwam. Rennend kwam hij naar de reling van het schip. Een grijnzend gezicht keek hem aan en het was net of Kalle in de spiegel keek.
‘Hé, je hebt ook rood haar,’ zei Kalle en hij wees naar het haar van Kat dat in lange plukken onder zijn piratenhoed vandaan kwam.
‘Ja, mooi hè! Ben jij er ook zo trots op?’ vroeg hij en hij trok zijn hoed af zodat zijn warrige rode haar helemaal te zien was. Kalle zei niets en keek naar zijn tenen. Hij bloosde en wilde niet dat stoere Kat dat zag.
‘Hé maatje, tong verloren?’  Kalle keek weer op en zag dat Kat hem aandachtig bekeek. Er zat een rimpel in zijn neus die helemaal bedekt was met de sproeten. Precies zoals die van hem.
‘Ben je verdrietig?’ vroeg Kat. Kalle knikte.
‘Ik word gepest,’ zei hij stilletjes. ‘Met mijn rode haar. Ik hoor nergens bij.’ Kat keek hem aan en zei niets. Kalle voelde een traan over zijn wang lopen en veegde hem met een boos gebaar weg.
‘Jij hoort bij mij,’ zei Kat toen alsof het de normaalste zaak van de wereld was. En misschien was het dat ook wel, bedacht Kalle. Het voelde tenminste wél zo.
‘Kom nog eens wat dichterbij, maatje. Ik moet je wat vertellen.’ Kalle stapte zo dicht mogelijk naar het schilderij toe. Even wilde hij naast Kat op het dek te springen, maar hij wist dat dat niet kon. Zijn plek was hier. Hij bracht zijn oor zo dicht mogelijk naar Kat toe en luisterde. En luisterde en luisterde…

‘Dankjewel,’ zei Kalle toen Kat klaar was met vertellen. ‘Is het echt waar?’
‘Zou ik tegen jou liegen?’ antwoordde Kat en hij keek Kalle serieus aan. Ook hun ogen waren precies hetzelfde viel Kalle op. Heldergroen en best mooi eigenlijk.
‘Ik moet nu gaan, onthoud je alles wat ik heb gezegd? Je zult het nodig hebben.’ Je zult het nodig hebben? dacht Kalle. Hij snapte het niet maar knikte naar Kat die hem een knipoog gaf en toen hard wegrende over het dek naar de mast.
‘Kat, niet gaan!’ schreeuwde Kalle hem na.
‘Ik ben jou!’ schreeuwde Kat terug. ‘Jij kunt alles wat ik kan!’
‘Wat?’ riep Kalle, maar Kat was al te ver weg. Hij zag hem eerst de mast in klimmen en toen het kraaiennest. Paniekerig stak Kalle zijn hand uit naar het doek dat weer veranderde in precies dat wat het was: een oud schilderij.
‘Hé rooie!’ klonk het achter hem en het klonk heel wat minder vriendelijk dan toen Kat het naar hem had geroepen. O jee, dacht Kalle en hij voelde een rilling over zijn rug lopen. Langzaam draaide hij zich om.  Het waren Joost en Erik. De ergste pestkoppen van de klas.
‘Hé vuurtoren,’ zei Erik, een lange dunne jongen met donker krulhaar. Hij kauwde smakkend op een stuk kauwgom. ‘Dat rode haar van jou moet ook maar eens geverfd worden.’ Hij vond zichzelf heel grappig en lachte zijn lange tanden bloot.
‘Alsof ik bang ben voor jou, stomme paardentand,’ schoot het uit Kalles mond en hij schrok er zelf van. Wat had hij nou gezegd? Dat hij dat dúrfde! Even was het doodstil in de zaal. De lucht leek te trillen en het schilderij leek nog een paar tinten donkerder.
‘Pak hem!’ riep Joost uit. Als na een startschot kwamen de pestkoppen in beweging.
‘Lelijke wortel!’ gilde Erik. Lelijke Wortel? Ineens voelde Kalle boosheid als vulkaanlava door zijn aderen stromen. Hij had er gewoon genoeg van! Hij dacht aan Kat en voelde zich sterker dan ooit. Hij maakte zich breed en stevig als de mast van het schip en zei:
‘Ik weet wat jullie gedaan hebben!’
‘Huh?’ zei Erik en hij keek dommer dan ooit. ‘Wat bedoelt die stomme  mandarijn op pootjes, Joost?’ Joost zei niets maar keek Kalle sluw aan met zijn donkere ogen.
‘Ja, rooie, wat bedoel je precies..?’ Zijn mond bleef een beetje open staan en een spuugdraad hing aan zijn lip. Gadver, dacht Kalle en hij lachte hardop. Wat was die jongen eigenlijk zélf lelijk!
‘Wat valt er te lachen?’ zei Joost en hij greep Kalle bij zijn shirt.
‘Dat zou ik maar niet doen,’ zei Kalle rustig en Joost liet hem los.
‘Wat gaan we nu beleven?’
‘Nou, jullie gaan iets beleven als jullie die portemonnee niet aan die oude dame terug geven.’ Joost en Erik staarden hem aan.
‘Wat, hoe, hoe weet hij…’ stamelde Erik.
‘Stil, sukkel!’ siste Joost hem toe. ‘Hij bluft.’
‘Nee hoor,’ zei Kalle. ‘Hij is rood en zit in je rugzak.’ Hij wees naar de rugzak die Erik om had. ‘Als jullie hem gewoon terug geven zeg ik niks. En als jullie mij ooit nog pesten dan zeg ik het alsnog.’ Ineens werd het donkerder in de zaal en hoorden ze een meeuw krijsen. Een flinke plens water spatte net voor hun voeten op de vloer.
‘Hé Kat!’ riep Kalle blij uit, maar de twee andere jongens werden zo wit als een laken.
‘Hij is gek geworden…’ fluisterden ze en ze draaiden zich allebei zo snel om alsof ze door een wesp waren gestoken en gingen ervandoor.
‘Vergeet de portemonnee niet!’ riep Kalle hen na en grijnzend draaide hij zich om naar het schilderij om Kat te bedanken. Maar het schilderij was gewoon het schilderij en Kat was maar een stil figuurtje hoog bovenin het kraaiennest. Even was Kalle teleurgesteld, verdrietig zelfs, maar dat duurde niet lang. Hij voelde zich anders en sterker. Net Kat, bedacht hij en hij glimlachte.
‘Hé Kalle,’ hoorde hij zachtjes naast zich en geschrokken draaide hij zich om. Daar stond Sophie, het mooiste meisje van de klas.
‘Hoi,’ zei hij en hij bloosde tot ver achter zijn oren. Sophie was ook zo mooi met dat lange blonde haar en blauwe ogen.
‘Mooi schilderij zeg,’ zei ze en toen begon ze te giechelen.
‘Wat is er?’ vroeg hij, bang dat ze hem uitlachte, maar ze keek helemaal niet naar hem. Ze keek naar het bordje naast het schilderij.
‘Kijk, dat is toch grappig. Dit schilderij heet Kalle in het kraaiennest!’
‘Nee,’ zei Kalle, ‘het heet Kát in het kraaiennest.’
‘Nee joh, kijk maar, er staat echt Kalle hoor.’ Kalle keek en tot zijn verbazing had Sophie gelijk. Hij lachte. Er stond echt Kalle! Hij begreep er echt helemaal niets van, maar wat maakte dat uit? Hij voelde zich beter dan ooit.
‘En hij heeft ook van dat mooie rode haar,’ zei Sophie. Kalle keek opzij en zag dat zíj nu bloosde. Snel keek hij weer naar het schilderij en het leek net of Kat naar hem knipoogde.
‘Kom,’ zei hij en hij liep samen met Sophie de zaal en het museum uit. Terug naar de bus. Het was mooi geweest, ze moesten weer naar school. Op de terugreis was het gezellig in de bus samen met Sophie en haar vrienden die allemaal aardig tegen hem waren. En Joost en Erik? Die hadden de portemonnee teruggegeven en zaten stilletjes in een hoekje. Vanaf dat moment liepen ze met een boog om Kalle heen.

Kalle dacht later nog vaak aan Kat in het kraaiennest die hem had geleerd voor zichzelf op te komen. Of bestond Kat helemaal niet en had hij alles gedroomd? Of misschien kon hij toch écht toveren zoals hij had gewenst? Wie zou het zeggen en wat maakte het ook uit?
Want zolang je maar in jezelf gelooft is álles mogelijk.

Einde.

© Heleen van der Kemp

 

 

 

 

 

 

Mijn boeken

  • Blond 15
  • Afrekening
  • Blond 15
  • Verrassing